TONK

De Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) is een noodmaatregel voor huishoudens die door omstandigheden in ernstige financiële problemen dreigen te komen. De TONK gaat met terugwerkende kracht gelden van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021.

Omdat de TONK binnen het juridisch kader van de bijzondere bijstand wordt uitgevoerd, kunnen gemeenten ook eigen keuzes maken, dus de mogelijkheden van de TONK kunnen per gemeente verschillen.

Hoe de TONK er precies uit komt te zien is nog niet in alle gemeenten bekend. Inmiddels is wel een handreiking voor gemeenten (Pdf), over hoe gemeenten om kunnen gaan met TONK, uitgekomen. Hieronder lees je de belangrijkste stukken uit die handreiking.

Daarnaast heeft ook een klein beetje over de TONK in de Kamerbrief (Pdf) van 21 januari 2021 gestaan. Het gedeelte over de TONK uit de Kamerbrief lees je hieronder, na de samenvatting van de handreiking voor gemeenten.

Wat doet ZZP Nederland?

ZZP Nederland gaat wederom in overleg met de ministeries, Divosa, VNG om o.a. de TONK te bespreken. Wij zullen hierbij eenduidigheid in de uitvoering en een ruimhartig toekenbeleid van gemeenten eisen.

Samenvatting van Handreiking voor gemeenten aangaande TONK

De TONK is gereed voor uitvoering en gemeenten bereiden zich voor op het openstellen van de regeling. De handreiking kan gemeenten helpen bij de lokale invulling van de TONK-regeling en geeft richtlijnen voor gemeentelijke besluitvorming. Helaas is de TONK geen universeel ‘duizenddingendoekje’. Het kan en zal niet iedereen uit de brand helpen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid en zullen de TONK uiteindelijk op verschillende manieren gebruiken.

Over de TONK
De Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) is een tijdelijke tegemoetkoming in noodzakelijke kosten. Deze tegemoetkoming is voor huishoudens die te maken hebben met een inkomensterugval en daardoor de noodzakelijke kosten niet meer kunnen betalen uit het inkomen. Het gaat hierbij om een vergoeding voor daadwerkelijke noodzakelijke kosten, niet om een inkomensondersteunende regeling. De tijdelijke noodmaatregel TONK geldt van 01.01.2021 tot en met 30.06.2021. Een gemeente kan beslissen de TONK met terugwerkende kracht vanaf 01.01.2021 te gebruiken.

Op grond van de Participatiewet (Pw) kan door de gemeente in individuele gevallen bijzondere bijstand verstrekt worden als het door bijzondere omstandigheden niet meer mogelijk is om de noodzakelijke kosten te betalen (artikel 35 lid 1 Pw). Gemeenten hebben daarbij eigen beleidsvrijheid. Er worden voor de tegemoetkoming TONK géén nadere centrale regels vastgesteld.

Doelgroep TONK
Een tegemoetkoming TONK is bedoeld voor huishoudens:
• die door de huidige omstandigheden als gevolg van het coronavirus te maken hebben met een onvoorzienbare en onvermijdelijke terugval in hun inkomen,
• die daardoor noodzakelijke kosten zoals woonlasten niet meer kunnen voldoen, en
 waarvoor andere regelingen niet of onvoldoende soelaas bieden.

Dat geldt bijvoorbeeld voor zelfstandigen die vanwege de coronamaatregelen hun opdrachten zien verdwijnen. De TONK kan dan voorzien in (gedeeltelijke) tegemoetkoming voor noodzakelijke kosten.

Wettelijk kader
Via de tijdelijke noodmaatregel TONK wordt een ruimere toegang tot het instrument van de bijzondere bijstand geboden. Maar de TONK moet rekening houden met de Participatiewet (Pw), dus niet iedereen kan voor de TONK in aanmerking komen. Slechts op individuele gronden, als daar zeer dringende redenen voor zijn, mag de gemeente daarvan afwijken (artikel 16 Pw).

Wanneer is vastgesteld dat de aanvrager tot de doelgroep behoort en hij niet is uitgesloten van de tegemoetkoming TONK dan wordt aan artikel 35 Pw getoetst. Om te bepalen of een aanvrager in aanmerking komt voor bijzondere bijstand zijn de volgende vragen van belang.
• Doen de kosten zich daadwerkelijk voor? 
Net als bij de bijzondere bijstand, dient de tegemoetkoming TONK verstrekt te worden voor noodzakelijke kosten van het bestaan die ook echt gemaakt zullen worden (of gemaakt zijn). Als de kosten achteraf lager blijken te zijn dan het bedrag dat aan bijzondere bijstand is toegekend, dan bestaat er slechts aanspraak voor de kosten die zich wel hebben voorgedaan.
• Zijn de kosten noodzakelijk? Is er sprake van bijzondere omstandigheden? 
Bijzondere bijstand is alleen mogelijk als sprake is van noodzakelijke kosten die voorvloeien uit bijzondere omstandigheden.
• Heeft de betrokkene voldoende draagkracht? 
De gemeente is bevoegd om in het kader van de TONK draagkrachtregels op te stellen.

De gemeente mag rekening houden met een drempelbedrag (artikel 35, lid 2 Pw). Zo kan voorkomen worden dat gemeenten voor zeer geringe bedragen een tegemoetkoming TONK moeten verstrekken.

De inlichtingenplicht geldt voor de TONK onverkort (net als bij de Tozo). Dat betekent dat de aanvrager elke wijziging die van invloed is of kan zijn op het recht op of de hoogte van de tegemoetkoming moet doorgeven.

Vorm van bijstand
Het uitgangspunt is dat de tegemoetkoming TONK om niet verstrekt wordt. Dit betekent dat de ontvanger de tegemoetkoming niet hoeft terug te betalen. De tegemoetkoming TONK kan ook in de vorm van een lening worden vertrekt als betrokkene op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om de kosten zelf te dragen of de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

In de handreiking voor gemeenten worden ook nog 2 voorbeelden gegeven van hoe de berekening zou kunnen gaan.

Voorbeeld Werkwijze I

Een mogelijkheid is om te kijken naar het percentage waarmee het inkomen van de aanvrager is gedaald ten opzichte van vóór de coronacrisis. Een berekening voor het recht op TONK zou er als volgt uit kunnen zien:

Een huishouden heeft recht op een TONK-uitkering indien:
1. het inkomensverlies in de periode van de coronacrisis minimaal X % bedraagt,
2. het aandeel van de woonlasten minimaal Y % van het (lagere) inkomen bedraagt, en
3. het vermogen niet meer bedraagt dan € Z .

De hoogte van de TONK bedraagt dan maximaal € 1.000 voor de gehele looptijd van de TONK-regeling.

U kunt bijvoorbeeld uitgaan van X = 30, Y = 25 en Z = gelijk aan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, lid 3 Pw. Deze groen gemarkeerde bedragen en percentages kunnen naar eigen inzicht door de gemeente worden ingevuld.

Voor de uitvoering is dan (naast de overige eisen op basis van de Pw) de volgende informatie nodig:
a) De hoogte van het oude inkomen (peildatum 1 januari 2020) (A)
b) De hoogte van het nieuwe inkomen (peildatum 1 januari 2021 (B)
c) De hoogte van de vaste (woon)lasten (C)
d) De hoogte van het vermogen (D)

Voor een tegemoetkoming TONK geldt dan: als
1. (A-B)/A * 100% > X% en
2. C/B * 100% > Y % en
3. D < € Z

heeft een huishouden recht op een tegemoetkoming TONK tot een maximaal bedrag van bijvoorbeeld € 1.000.

Omdat de tegemoetkoming TONK net als de bijzondere bijstand verstrekt wordt voor noodzakelijke kosten die ook echt gemaakt zullen worden (of gemaakt zijn) kan de gemeente rekening houden met “aanvaardbare” vaste lasten ter hoogte van Y% van het inkomen. Dan wordt de hoogte van de tegemoetkoming TONK het bedrag dat in deze periode uitkomt boven deze aanvaardbare grens met een maximum van € 1.000.

Voorbeeld werkwijze II
Bij deze werkwijze wordt niet perse gekeken naar de mate van inkomensterugval ten opzichte van het oude inkomen (van voor corona). De aanvrager moet verklaren dat sprake is van inkomensterugval als gevolg van corona. Het inkomen van de aanvrager wordt gebaseerd op de peilmaand januari 2021.

Daarnaast gaat deze werkwijze uit van aanvaardbare woonkosten op sociaal minimum, oftewel een bepaald (minimum)bedrag.

Uitgangspunten en benodigde informatie voor de hoogte van de TONK zijn:
a) De hoogte van het nieuwe inkomen (peilmaand januari 2021) (A)
b) De hoogte van de vaste lasten (B)
c) De hoogte van het vermogen (C)
d) Draagkrachtpercentage (D) over inkomen boven Sociaal Minimum

Bij het inkomen (A) is van belang of dit gelijk is aan het sociaal minimum of hoger. Van belang is verder welk deel van de vaste lasten naar het oordeel van het college voldaan kunnen worden uit een inkomen op het sociaal minimum. Bijvoorbeeld een bedrag van € 430 per maand aan hypotheekrente of (kale) huur (vergelijkbaar met het huurbedrag dat bij een sociale huurwoning voor rekening van de betrokkene blijft in het kader van de huurtoeslag). Bij inkomen en vermogen boven het Sociaal Minimum bepaalt het college welk deel daarvan kan worden ingezet voor de betreffende vaste lasten. Bijvoorbeeld 80 of 100% van het meerinkomen.

Dit leidt tot een aanspraak op TONK per maand die als volgt wordt bepaald.
- Wanneer het nieuwe inkomen A gelijk is aan het sociaal minimum (bijstand, TOZO of anderszins) en het vermogen ligt onder C:

B € 430 (per maand)
 

- (B – Sociaal Minimum) x Y% - € 430 (per maand)

Bij draagkracht in het vermogen kan bepaald worden dat geen aanspraak bestaat op de TONK of dat de TONK later ingaat.

Als een alleenstaande of twee samenwonenden een woning delen met anderen, kan bijvoorbeeld worden uitgegaan dat deze medebewoners ook een deel van de woonlasten betalen. Het bedrag van €430 in het voorbeeld hierboven kan dan hoger worden vastgesteld.

Het college kan ervoor kiezen om het bedrag voor de TONK en/of de looptijd te maximeren. Hiermee kan het college ervoor te zorgen dat de geraamde uitgaven voor de TONK binnen het budget blijven dat het Rijk daarvoor aan de gemeente beschikbaar stelt.

Inhoud van de Kamerbrief van 21 januari 2021

Huishoudens kunnen door de economische crisis te maken hebben met een onvoorzienbare, onvermijdelijke en plotselinge terugval in hun inkomen. Zij kunnen daardoor in problemen raken met de betaling van noodzakelijke kosten, waaronder woonlasten. Hiervoor wordt de Tonk opgezet, die qua inhoud de volgende contouren heeft:

• De focus ligt op woonkosten. Dat is meestal veruit de grootste kostenpost in een huishouden. Een tegemoetkoming maakt dus al gauw veel verschil. Dat wil overigens niet zeggen dat vergoeding voor andere noodzakelijke kosten niet mogelijk is.

• Bij aanvragen wordt gekeken of sprake is van onvoorziene en onvermijdelijke terugval in het inkomen en naar draagkracht, hetgeen de verhouding betreft tussen het inkomen en vermogen van het huishouden en de noodzakelijke kosten. Met betrekking tot het inkomen is het actuele inkomen het uitgangspunt. Wat betreft vermogen wordt alleen gekeken naar vermogen waar direct over beschikt kan worden. Vermogen dat vast zit in de eigen woning en pensioenen wordt bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten. Over een vrijstellingsgrens wordt nog gesproken.

• De middelen voor TONK (€ 130 miljoen) worden in twee tranches via het gemeentefonds beschikbaar gesteld. Verantwoording over de middelen vindt lokaal plaats. Aan het einde van het eerste kwartaal van 2021 zal op basis van de dan geldende situatie rondom de maatregelen tegen het coronavirus de inzet voor het tweede kwartaal van 2021 worden gewogen.

• Rijk en gemeenten monitoren door regelmatig overleg en via beschikbaar komende gegevens vanuit het CBS en de Divosa benchmark hoe de implementatie en de uitvoering verloopt om knelpunten te detecteren en zo mogelijk bij te sturen.

Voor deze tijdelijke ondersteuning, de TONK, wordt het bestaande instrument van de bijzondere bijstand gebruikt. Bijzondere bijstand kan door gemeenten in individuele gevallen verstrekt worden als het door bijzondere omstandigheden niet meer mogelijk is om de noodzakelijke kosten te betalen. Gemeenten voeren de bijzondere bijstand uit en hebben daarbij eigen beleidsruimte. Een deel van de huishoudens in financiële problemen is nu niet in beeld bij gemeenten, of komt op dit moment niet in aanmerking voor ondersteuning door gemeentelijke beleidsregels die toegang en gebruik van de bijzondere bijstand beperken. De betrokkenen zijn vaak ook niet bekend met de ondersteuningsmogelijkheden die gemeenten hebben.

Met VNG en Divosa worden afspraken gemaakt hoe deze groep beter en eenvoudiger door gemeenten kan worden bereikt via de TONK. Daartoe wordt met gemeenten gekeken hoe de gemeentelijke beleidsregels waar nodig tijdelijk verruimd kunnen worden. De inzet is tevens om bij de aanvraag voor TONK aandacht te besteden aan eventuele armoede- en schuldenproblematiek, zodat gemeenten hierin preventief op kunnen treden en via omscholings- en re-integratiemogelijkheden de arbeidsmarktpositie van aanvragers kunnen verbeteren.

De verwachting is dat 1 maart 2021 de uitwerking met gemeenten van de TONK gereed is. Dan zullen de meeste gemeenten nog niet klaar zijn om de TONK uit te voeren.

Deel deze pagina: